|
| |
Aftrek voor octrooi-inkomsten
Wie kan genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten?
Belgische vennootschappen onderworpen aan de vennootschapsbelasting kunnen
genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten. Daarnaast staat artikel 236bis,
WIB 92 toe dat buitenlandse vennootschappen met een Belgische inrichting (onderworpen
aan de belasting van niet-inwoners/vennootschappen) de aftrek voor octrooi-inkomsten
bekomen onder dezelfde voorwaarden als Belgische vennootschappen.
Natuurlijke personen onderworpen aan de personenbelasting (of de belasting van
niet-inwoners) en rechtspersonen onderworpen aan de rechtspersonenbelasting (of
de belasting van niet-inwoners/RPB) kunnen niet genieten van de aftrek voor
octrooi-inkomsten.
Kan de dienstverlener die in naam en voor rekening van de opdrachtgever werkt,
genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten?
Neen, want deze is geen eigenaar, vruchtgebruiker of licentiehouder van het
octrooi, hetgeen een vereiste is om de aftrek voor octrooi-inkomsten toe te
passen.
Welke intellectuele eigendomsrechten komen in aanmerking?
De tekst van de programmawet van 27 april 2007 (BS 08.05.2007) maakt enkel
melding van de uitdrukking ‘octrooien’ en bevat geen verduidelijking wat
hieronder dient te worden verstaan. Daarom kan worden aangenomen dat men zich
voor de definitie van de uitdrukking ‘octrooien’ kan baseren op de wet op de
uitvindingsoctrooien van 28 maart 1984 (zie ter zake ook het Commentaar op het
Wetboek van de inkomstenbelastingen 68/32.1). Overeenkomstig deze wet op de
uitvindingsoctrooien is een ‘uitvindingsoctrooi’ of ‘octrooi’, een titel
waardoor een uitsluitend en tijdelijk recht van exploitatie wordt verleend voor
iedere uitvinding die nieuw is, op uitvinderswerkzaamheid berust en vatbaar is
voor toepassing op het gebied van de nijverheid (art. 2, Wet van 28.3.1984 op de
uitvindingsoctrooien – BS 9.3.1985). Een uitvinding is nieuw indien zij geen
deel uitmaakt van de stand van de techniek. Een uitvinding wordt als het
resultaat van uitvinderswerkzaamheid aangemerkt, indien zij voor een deskundige
niet op een voor de hand liggende wijze voortvloeit uit de stand van de techniek.
De bepalingen in de wet met betrekking tot de aftrek voor octrooi-inkomsten
hebben betrekking op zowel nationale, als op Europese of internationale
octrooien. De Europese en internationale aanvraagprocedures bieden de
mogelijkheid om via één enkele aanvraag lokale octrooibescherming te bekomen in
een groot aantal landen. Een Europese octrooiaanvraag kan op vandaag aldus
leiden tot bescherming in 33 landen (dit zijn de landen van de Europese Unie en
een aantal bijkomende landen die zich bij het Europees Octrooiverdrag hebben
aangesloten). Het Europees octrooi bestaat in essentie uit een bundel nationale
rechten, die bescherming bieden volgens de regelgeving van toepassing in de
verschillende landen. Een octrooi zal in een bepaald land slechts geacht worden
verworven te zijn op voorwaarde dat de nationale fase van de aanvraagprocedure
in dat land succesvol werd afgerond. Het is immers pas vanaf dat ogenblik dat
het octrooi in dat land bescherming geniet.
De aftrek van octrooi-inkomsten is ook van toepassing op aanvullende
beschermingscertificaten. Het begrip “aanvullende beschermingscertificaat”
verwijst zowel naar het aanvullend beschermingscertificaat voor geneesmiddelen
ingevoerd door Verordening (EG) Nr. 1768/92, als naar het aanvullend
beschermingscertificaat voor gewasbeschermingsmiddelen ingevoerd door
Verordening (EG) Nr. 1610/96.
Andere intellectuele eigendomsrechten, zoals ondermeer knowhow, merken,
auteursrechten en databankrechten, komen niet in aanmerking voor de aftrek voor
octrooi-inkomsten, onder voorbehoud van hetgeen hierna wordt aangegeven in
verband met knowhow die inherent is aan of onlosmakelijk verbonden is met een
geoctrooieerd product of procédé.
In welke landen dient men over een octrooi te beschikken opdat de
inkomsten ervan in aanmerking zouden komen voor de aftrek voor octrooi-inkomsten?
Een onderscheid moet gemaakt worden tussen het geval waarin het product /
procédé in het land waar de relevante goederen of diensten het voorwerp van een
octrooi / aanvullend beschermingscertificaat uitmaken, geproduceerd / toegepast
wordt, en het geval waarin het product / procédé bescherming geniet in het land
van commercialisatie.
Indien het product / procédé in het land van productie / toepassing (België of
elders) bescherming geniet onder een octrooi / aanvullend
beschermingscertificaat, kwalificeren de inkomsten uit de commercialisatie van
het product / procédé voor de octrooiaftrek, ongeacht of in het land van
commercialisatie al dan niet een octrooi / aanvullend beschermingscertificaat
werd verkregen. Volgende gevallen kunnen zich bijvoorbeeld voordoen:
-
Belgische vennootschap heeft een octrooi verkregen in België met betrekking
tot een product dat ook in België geproduceerd wordt: inkomsten uit de
commercialisatie kwalificeren voor octrooiaftrek, ongeacht waar het product
verkocht wordt en ongeacht of het product in het land van commercialisatie van
enige octrooibescherming geniet;
-
Belgische vennootschap heeft een octrooi verkregen in het buitenland (bijvoorbeeld
in Frankrijk) met betrekking tot een product. Het product wordt in Frankrijk
geproduceerd door een derde op basis van een licentie verleend door de Belgische
vennootschap: royalty’s verschuldigd door de Franse productievennootschap aan de
Belgische vennootschap (octrooihouder) kwalificeren voor de octrooiaftrek;
-
Belgische vennootschap heeft een octrooi verkregen in het buitenland (bijvoorbeeld
in Frankrijk) met betrekking tot een product. De Belgische vennootschap laat het
product in Frankrijk door een maakloonwerker produceren voor rekening van de
Belgische vennootschap (octrooihouder): de inkomsten uit de latere
commercialisatie van deze producten door de Belgische vennootschap (octrooihouder)
kwalificeren voor de octrooiaftrek, ongeacht waar het product verkocht wordt en
ongeacht of het product in het land van commercialisatie van enige
octrooibescherming geniet.
Indien het product / procédé in het land van commercialisatie bescherming
geniet onder een octrooi / aanvullend beschermingscertificaat, dan kwalificeren
de inkomsten uit de commercialisatie van het product of procédé in dat land voor
de octrooiaftrek, ongeacht of in het land van productie / toepassing al dan niet
een octrooi / aanvullend beschermingscertificaat werd verkregen.
Moet de vennootschap het geoctrooieerd product / procédé zelf hebben
ontwikkeld? Komen ook door derden geoctrooieerde producten of procédés in
aanmerking?
De aftrek voor octrooi-inkomsten geldt zowel ten aanzien van door de
vennootschap zelf ontwikkelde producten of procédés die door een octrooi (of
een aanvullend beschermingscertificaat) zijn beschermd, als ten aanzien van
door derden ontwikkelde producten of procédés die van een dergelijke
bescherming genieten. De aftrek voor octrooi-inkomsten geldt met andere
woorden in twee situaties:
-
De vennootschap heeft een product of procédé (geheel of gedeeltelijk) zelf
ontwikkeld in een onderzoekscentrum dat een bedrijfsafdeling of een tak van
werkzaamheid vormen in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 2° WIB 92, en
op dit product of procédé octrooibescherming bekomen;
-
De vennootschap heeft van een al dan niet onafhankelijke derde de volle
eigendom, mede-eigendom of het vruchtgebruik met betrekking tot een octrooi
verworven of een licentie op een octrooi genomen en de vennootschap heeft de
geoctrooieerde producten of procédés (geheel of gedeeltelijk) zelf verbeterd
in een onderzoekscentrum van de vennootschap, dat een bedrijfsafdeling of
een tak van werkzaamheid vormen in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid,
2° WIB 92, en dit ongeacht of de verbetering tot bijkomende octrooien heeft
geleid en ongeacht de wijze van verwerving (aankoop, inbreng, enz.). De
blote eigendomsrechten op een octrooi of een aanvullend
beschermingscertificaat komen niet in aanmerking voor de belastingaftrek
voor octrooi-inkomsten.
Moet de vennootschap eigenaar zijn van het octrooi?
Het is niet vereist dat de vennootschap eigenaar is van het octrooi of
aanvullend beschermingscertificaat. Ook indien zij vruchtgebruiker of
licentiehouder is, komt de vennootschap in aanmerking. Blote eigendom van
een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat komt evenwel niet in
aanmerking voor de aftrek voor octrooi-inkomsten. Er wordt niet vereist dat
een eventuele licentie zich zou uitstrekken over de volledige
beschermingsduur van het octrooi of aanvullend beschermingscertificaat.
Het is evenmin vereist dat de vennootschap alléén eigenaar, licentiehouder
of vruchtgebruiker is van het octrooi of het aanvullend
beschermingscertificaat. Alle mede-eigenaars en vruchtgebruikers kunnen in
principe van de aftrek voor octrooi-inkomsten genieten. De aftrek voor
octrooi-inkomsten is van toepassing op zowel exclusieve als niet-exclusieve
licenties.
De Belgische vennootschap mag evenwel geen doorgeefluik of “conduit company”
zijn; met andere woorden: er hoort een zekere economische substantie
tegenover te staan.
Vanaf wanneer kan men spreken van een octrooi? Is de indiening van een
octrooiaanvraag voldoende om in aanmerking te komen voor de aftrek voor
octrooi-inkomsten?
Octrooiaanvragen komen niet in aanmerking voor de aftrek voor octrooi-inkomsten.
De octrooiaftrek is slechts van toepassing indien effectief een octrooi of
een aanvullend beschermingscertificaat is verleend.
Het is echter mogelijk dat een product of procédé wordt beschermd door
verschillende octrooien / aanvullende beschermingscertificaten, en dat op
het moment dat wordt gestart met de commercialisatie van een dergelijk
product of procédé nog niet alle octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten verleend of toegekend zijn. Het feit dat nog niet
alle rechten verleend zijn, belet niet dat de inkomsten die worden verkregen
op basis van de reeds verkregen octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten principieel in aanmerking komen voor de
octrooiaftrek.
Er zal geval per geval moeten worden beoordeeld of het feit dat nog niet
alle octrooien / aanvullende beschermingscertificaten zijn verleend een
impact heeft op het bedrag van de in aanmerking te nemen octrooi-inkomsten.
Wat houdt de vereiste van een onderzoekscentrum in? Mag het
onderzoekscentrum in het buitenland gelegen zijn?
Om te kunnen genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten moet de
vennootschap beschikken over een onderzoekscentrum dat geheel of
gedeeltelijk instaat voor de ontwikkeling van het product of procédé dat het
voorwerp uitmaakt van het octrooi / aanvullend beschermingscertificaat (voor
zelf ontwikkelde geoctrooieerde producten of procédés) of dat geheel of
gedeeltelijk instaat voor de verbetering van de producten of procédés die
het voorwerp uitmaken van het octrooi / aanvullend beschermingscertificaat (voor
van derden verworven octrooien of licenties op octrooien).
De aftrek van octrooi-inkomsten geldt alleen in geval van ontwikkeling of
verbetering door de vennootschap in één of meerdere onderzoekscentra die een
bedrijfsafdeling of een tak van werkzaamheid vormen in de zin van artikel
46, § 1, eerste lid, 2° WIB 92. Onder bedrijfsafdeling of tak van
werkzaamheid wordt het geheel verstaan van de bestanddelen die in een
afdeling van die onderneming belegd zijn en technisch een onafhankelijke
onderneming vormen, d.w.z. een geheel dat bekwaam is om met eigen middelen
te werken.
Alhoewel de wettekst slechts spreekt over een bedrijfsafdeling of een tak
van werkzaamheid in de zin van artikel 46, § 1, eerste lid, 2°, WIB 92,
verstaat de administratie onder de betrokken bepaling ook de “algemeenheid
van goederen” als bedoeld in het voormelde artikel.
De vennootschap moet niet noodzakelijk in België over een onderzoekscentrum
beschikken. Het onderzoekscentrum mag ook in het buitenland gelegen zijn.
Met betrekking tot van derden verworven volle eigendom, mede-eigendom,
vruchtgebruik of licentierechten op octrooien wordt vereist dat de
geoctrooieerde producten of procédés door de vennootschap werden verbeterd.
Wat houdt deze vereiste van “verbetering” in?
De vennootschap moet aantonen dat, voor van derden verworven volle eigendom,
mede-eigendom, vruchtgebruik of licentierechten op octrooien of aanvullend
beschermingscertificaten, de verdere ontwikkeling van de geoctrooieerde
producten of procédés tot een toegevoegde waarde heeft geleid, bijvoorbeeld
indien de economische waarde van het geoctrooieerde product of procédé werd
verhoogd.
De wet vereist niet dat de verbetering aanleiding heeft gegeven tot
bijkomende octrooien. Met andere woorden, de wet vereist niet dat de
verbetering een octrooieerbare uitvinding inhoudt. In de regel zal deze
verbetering ook kunnen resulteren in knowhow die inherent is aan of
onlosmakelijk verbonden is met het geoctrooieerde product of procédé. De
inkomsten die hierop betrekking hebben kwalificeren bijgevolg tevens als
octrooi-inkomsten die voor de octrooiaftrek in aanmerking komen.
Mag de vennootschap de uitvoering van onderzoek en ontwikkeling
uitbesteden aan derden?
Ja. De ontwikkeling van geoctrooieerde producten of procédés, of de
verbetering van geoctrooieerde producten of procédés, moet niet volledig
door de vennootschap worden uitgevoerd, maar mag gedeeltelijk worden
uitbesteed aan derden. De vennootschap kan dus bij de uitvoering van
onderzoek en ontwikkeling een beroep doen op al dan niet onafhankelijke
derden, die het onderzoek in opdracht en voor rekening van de vennootschap
uitvoeren (zogenaamde “outsourcing” of “contract research”).
De aftrek van octrooi-inkomsten is dus mede van toepassing op inkomsten uit
octrooien die - mits tussenkomst van het onderzoekscentrum van de
vennootschap - door derden voor rekening van de vennootschap zijn ontwikkeld.
Voorts geldt de aftrek voor inkomsten uit van derden verworven octrooien ook
indien de geoctrooieerde producten of procédés - mits tussenkomst van het
onderzoekscentrum van de vennootschap - door derden voor rekening van de
vennootschap zijn verbeterd.
Veronderstel dat de Belgische vennootschap haar onderzoek en ontwikkeling
uitbesteedt en dus vraagt aan een buitenlandse en een Belgische aparte
entiteit om voor haar rekening en in haar naam te ontwikkelen. Kan dit
beschouwd worden als gedeeltelijke ontwikkeling door de vennootschap?
In de memorie van toelichting wordt aangehaald dat de regering via deze
nieuwe maatregel Belgische ondernemingen wenst aan te zetten tot technische
innovatie door alle activiteiten van onderzoek en ontwikkeling in verband
met de ontwikkeling van geoctrooieerde producten en procédés te stimuleren
en door de eigendom van octrooien en/of het verkrijgen van gebruiksrechten
op octrooien aan te moedigen evenals de ontwikkeling van producten of
procédés op basis van deze octrooien.
Welke inkomsten komen in aanmerking voor de aftrek voor octrooi-inkomsten?
Artikel 205/2, §2, WIB 92, definieert het begrip “octrooi-inkomsten”. Het
gaat om twee categorieën:
1° De vergoeding voor licenties die de vennootschap aan derden heeft verleend
met betrekking tot octrooien.
De vergoedingen van licentienemers zijn zowel variabele vergoedingen (bv.
royalty’s als percentage van de omzet met betrekking tot de geoctrooieerde
producten of procédés) als vaste vergoedingen en voorschotten (bv. "upfront
fees", "milestones", en dergelijke).
Vergoedingen van verbonden ondernemingen komen alleen in aanmerking in de
mate dat ze marktconform zijn.
Indien de licentieovereenkomst en de op basis daarvan verschuldigde
vergoeding niet uitsluitend betrekking heeft op de octrooien of de
aanvullende beschermingscertificaten, maar ook op andere intellectuele
eigendomsrechten (bv. merken of knowhow die niet inherent zijn aan of
onlosmakelijk verbonden zijn met de octrooien), komt alleen het gedeelte dat
betrekking heeft op octrooien / aanvullende beschermingscertificaten in
aanmerking voor de aftrek voor octrooi-inkomsten. De belastingplichtige moet
daarom in voorkomend geval de vergoeding uitsplitsen.
Echter, indien een vennootschap een octrooi / aanvullend
beschermingscertificaat verwerft van een derde en het geoctrooieerde product
of procédé verbetert, dan komen de inkomsten die door de vennootschap worden
verkregen als vergoeding voor dergelijke verbetering, volledig in aanmerking
voor de octrooiaftrek. Deze verbeteringen zullen in de regel resulteren in
knowhow die inherent is aan of onlosmakelijk verbonden is met het
geoctrooieerd product of procédé. De inkomsten die dergelijke verbeteringen
vergoeden, komen dus eveneens in aanmerking voor de octrooiaftrek.
Hetzelfde geldt voor wat betreft de door de vennootschap zelf ontwikkelde
octrooien, t.w. de inkomsten die de zelf ontwikkelde knowhow die inherent is
aan of onlosmakelijk verbonden is met de zelf ontwikkelde octrooien
vergoeden, komen eveneens in aanmerking voor de octrooiaftrek. Deze knowhow
voegt waarde toe aan het zelf ontwikkelde geoctrooieerd product of procédé
zodat de inkomsten verkregen bij de commercialisatie van het octrooi en de
daaraan verbonden knowhow als inkomsten dienen te worden beschouwd die in
aanmerking komen voor de octrooiaftrek.
De volgende voorbeelden kunnen in dit verband worden gegeven:
-
Een vennootschap heeft een octrooi verkregen op een zelf ontwikkeld
product. Echter, opdat deze vennootschap dit octrooi zou kunnen
commercialiseren, dient zij hiertoe de toestemming te verkrijgen van een
regelgevende autoriteit. Tijdens de aanvraagprocedure wordt vereist dat,
opdat de toestemming tot commercialisatie zou worden verkregen, een aantal
bijkomende wijzigingen worden aangebracht aan het desbetreffende product,
beschermd onder het octrooi, waardoor de veiligheid van het gebruik van het
product wordt verhoogd. Deze knowhow verkregen na het verlenen van het
octrooi is dan ook onlosmakelijk verbonden met het geoctrooieerd product. De
inkomsten die zulke knowhow vergoeden, komen bijgevolg in aanmerking voor de
octrooiaftrek.
-
Een vennootschap heeft een octrooi verkregen op een zelf ontwikkeld
product. Deze vennootschap bezit tevens een bijzondere kennis om het door
het octrooi beschermde product te produceren. Echter, deze kennis in verband
met de wijze van productie kan tevens worden gebruikt bij de productie van
een product dat niet door dit octrooi wordt beschermd. In dergelijk geval is
zulke knowhow niet inherent of onlosmakelijk verbonden met het octrooi zodat
de inkomsten die deze knowhow vergoeden, niet voor de octrooiaftrek in
aanmerking komen.
2°
De marktconforme vergoeding voor octrooien begrepen in de verkoopprijs van goederen (of diensten) van de vennootschap
Dit wordt omschreven als de vergoedingen die aan de vennootschap voor het
belastbaar tijdperk zouden verschuldigd zijn indien de goederen die door of
voor rekening van de vennootschap worden geproduceerd (of de diensten die
door of voor rekening van de vennootschap worden geleverd), zouden worden
geproduceerd (of geleverd) door een derde op grond van een licentie verleend
door de vennootschap op de gebruikte octrooien en indien tussen de
vennootschap en de derde zodanige voorwaarden zouden zijn overeengekomen als
tussen onafhankelijke ondernemingen.
De verwijzing naar de productie van goederen of het leveren van diensten
voor rekening van de vennootschap laat toe dat deze activiteiten worden
uitbesteed aan een maakloonwerker.
De in de verkoopprijs vervatte vergoeding voor knowhow inherent aan of
onlosmakelijk verbonden met het octrooi, komt (omwille van dezelfde redenen
als hierboven aangehaald inzake vergoedingen verkregen voor het in licentie
geven van een octrooi of aanvullend beschermingscertificaat) eveneens in
aanmerking voor de octrooiaftrek.
Geldt de aftrek voor octrooi-inkomsten ten aanzien van inkomsten uit de
verkoop van octrooien?
De aftrek voor octrooi-inkomsten is niet van toepassing op inkomsten
verworven naar aanleiding van de verkoop van, overdracht van mede-eigendom
of vruchtgebruik op een octrooi of aanvullend beschermingscertificaat.
Geldt de aftrek voor octrooi-inkomsten voor inkomsten die betrekking
hebben op de periode voordat het octrooi is verleend of de periode nadat de
geldingsduur van het octrooi verstreken is?
Neen. Een octrooi heeft een beperkte geldingsduur. Alleen de vergoedingen
die betrekking hebben op de periode nadat het octrooi is verleend en voordat
de geldingsduur van het octrooi is verstreken, komen in aanmerking voor de
aftrek voor octrooi-inkomsten.
Het is mogelijk dat een product of procédé wordt beschermd door
verschillende octrooien / aanvullende beschermingscertificaten, die elkaar
al dan niet geheel of gedeeltelijk overlappen of onlosmakelijk met elkaar
verbonden zijn, en dat op het moment dat wordt gestart met de
commercialisatie van een dergelijk product of procédé nog niet alle
octrooien / aanvullende beschermingscertificaten verleend zijn. Het feit dat
nog niet alle rechten verleend zijn, belet niet dat de inkomsten die worden
verkregen op basis van de reeds verkregen octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten principieel in aanmerking komen voor de
octrooiaftrek.
Er dient geval per geval te worden beoordeeld of het feit dat nog niet alle
octrooien / aanvullende beschermingscertificaten zijn verleend, een impact
heeft op het bedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten.
Bijvoorbeeld:
Een bepaald toestel maakt het voorwerp uit van een aantal octrooien die
elkaar niet overlappen. Op het ogenblik van de commercialisatie van dit
toestel is slechts een deel van de octrooien verleend; de aanvragen van een
ander deel octrooien zijn nog hangende. De inkomsten die worden verkregen
als vergoeding voor de reeds verleende octrooien komen in aanmerking voor de
octrooiaftrek op voorwaarde dat de overige toepassingsvoorwaarden vervuld
zijn.
Het bedrag van de in aanmerking te nemen inkomsten dient geval per geval te
worden beoordeeld.
Het is mogelijk dat het globale bedrag van deze octrooi-inkomsten niet
toeneemt op het ogenblik dat bijkomende octrooien worden verleend. Dit kan
bijvoorbeeld het geval zijn wanneer de eerst verkregen octrooien geheel of
gedeeltelijk worden overlapt door de bijkomende octrooien of de eerst
verkregen octrooien onlosmakelijk verbonden zijn met de bijkomende octrooien,
zodat een derde in geen geval een identiek toestel zou kunnen
commercialiseren, gelet op de bescherming die wordt geboden door de reeds
verkregen octrooien.
Indien een product of procédé wordt beschermd door verschillende octrooien /
aanvullende beschermingscertificaten, dient er geval per geval te worden
beoordeeld wat de impact is van het verstrijken van de geldingsduur van een
of meerdere van de verkregen octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten op het bedrag van de inkomsten dat in aanmerking
komt voor de octrooiaftrek.
Het is mogelijk dat het verstrijken van de geldingsduur van een deel van de
octrooien / aanvullende beschermingscertificaten geen impact heeft op het
globale bedrag van de inkomsten dat in aanmerking komt voor de octrooiaftrek,
bijvoorbeeld omdat het octrooi waarvan de geldingsduur verstreken is
volledig of gedeeltelijk werd overlapt door of onlosmakelijk verbonden is
met een ander octrooi waarvan de inkomsten tevens in aanmerking komen voor
de octrooiaftrek. In een dergelijke situatie zou een derde geenszins een
gelijkaardig product of procédé kunnen commercialiseren vóór het verstrijken
van de geldingsduur van dit ander octrooi. Het is ook mogelijk dat een derde
geenszins een identiek product of procédé zou kunnen commercialiseren vóór
het verstrijken van de geldingsduur van alle andere octrooien, gelet op het
bestaan van deze andere octrooien of dit ander octrooi.
In bepaalde gevallen kan het aangewezen zijn om het bedrag van de octrooi-inkomsten
met betrekking tot een bepaald geoctrooieerd product of procédé globaal te
bepalen, zonder de octrooi-inkomsten uit te splitsen tussen de verschillende
octrooien / aanvullende beschermingscertificaten, bijvoorbeeld in geval de
betrokken octrooien / aanvullende beschermingscertificaten elkaar overlappen
of onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Voor de periode na afloop van de geldingsduur van het (laatste) octrooi kan
trouwens meestal nog slechts een sterk verminderde vergoeding worden
aangerekend voor de eventuele andere intellectuele eigendomsrechten die nog
het voorwerp zouden uitmaken van de licentie, zoals knowhow, merken, etc.
Deze vergoedingen komen niet in aanmerking voor de octrooiaftrek omdat ze
geen betrekking meer hebben op octrooien, of ze – voor wat de knowhow
betreft – niet meer inherent is aan of onlosmakelijk verbonden is met de
octrooien.
Uiteraard zal de aftrek moeten worden herzien bij eventuele latere
nietigverklaring van het octrooi.
Wanneer een derde een deel betaalt van de kosten van onderzoek en
ontwikkeling van de vennootschap, komt deze bijdrage in aanmerking voor de
aftrek voor octrooi-inkomsten?
Neen. In geval een derde (bijvoorbeeld een licentienemer of een mede-eigenaar
van het octrooi) een bijdrage betaalt in de kosten van (verder) onderzoek en
ontwikkeling van de vennootschap, wordt de aftrek voor octrooi-inkomsten
niet verleend op de inkomsten die voortkomen uit de deelname door de derde
in de kosten van onderzoek en ontwikkeling (artikel 205/2, §2, lid 3 WIB
92). De aftrek voor octrooi-inkomsten wordt enkel verleend ten aanzien van
de eigenlijke vergoedingen voor een octrooi.
Geldt de aftrek voor octrooi-inkomsten enkel ten aanzien van in België
belastbare inkomsten?
Ja. Voor Belgische vennootschappen wordt de aftrek voor octrooi-inkomsten
verleend in zover de octrooi-inkomsten deel uitmaken van het in België
belastbare resultaat. De inkomsten die toerekenbaar zijn aan buitenlandse
inrichtingen en die op grond van het dubbelbelastingverdrag met het land van
de buitenlandse inrichting in België zijn vrijgesteld, vallen niet onder het
begrip “octrooi-inkomsten” en komen derhalve niet in aanmerking voor de
aftrek voor octrooi-inkomsten.
Voor buitenlandse vennootschappen wordt de aftrek voor octrooi-inkomsten
verleend in zover de octrooi-inkomsten deel uitmaken van het belastbare
resultaat van de Belgische inrichting. De inkomsten die toerekenbaar zijn
aan het buitenlandse hoofdhuis of andere buitenlandse inrichtingen van de
buitenlandse vennootschap, vallen niet onder het begrip “octrooi-inkomsten”
en komen derhalve niet in aanmerking voor de aftrek voor octrooi-inkomsten.
Vermindering voor van derden verworven octrooien
Voor van derden verworven octrooien moet, in voorkomend geval, een
vermindering van de basis van de aftrek voor octrooi-inkomsten worden
toegepast.
In welke gevallen geldt de vermindering?
De vermindering is van toepassing in twee gevallen:
-
Het geval waarin de vennootschap licentierechten op één of meer octrooien
(en/of aanvullende beschermingscertificaten) verwerft op grond van een
licentieovereenkomst met een al dan niet onafhankelijke derde;
-
Het geval waarin de vennootschap van een al dan niet onafhankelijke derde
op enigerlei wijze eigendom, mede-eigendom of vruchtgebruik met betrekking
tot één of meerdere octrooien (en/of aanvullende beschermingscertificaten)
verwerft (door middel van aankoop, inbreng, enz.)
De vermindering geldt niet voor door octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten beschermde producten of procédés, die door de
vennootschap zelf zijn ontwikkeld of die door al dan niet onafhankelijke
derden voor rekening van de vennootschap zijn ontwikkeld.
Wat is de bedoeling van deze vermindering?
Om misbruiken te voorkomen met betrekking tot van derden verworven eigendom,
mede-eigendom of vruchtgebruik en/of licentierechten op octrooien /
aanvullende beschermingscertificaten, bepaalt artikel 205/3, WIB 92, dat de
basis van de aftrek voor octrooi-inkomsten wordt verminderd met de door de
vennootschap verschuldigde vergoedingen en/of afschrijvingen op van derden
verworven licentierechten en/of eigendom, mede-eigendom of vruchtgebruik op
de octrooien / aanvullende beschermingscertificaten. Bij gebreke hiervan
zouden misbruiken kunnen ontstaan doordat belastingplichtigen opeenvolgende
licenties en sublicenties zouden sluiten om telkens opnieuw van de aftrek
voor octrooi-inkomsten te genieten.
Deze vermindering moet worden samen gelezen met artikel 205/2, §1, tweede
gedachtestreepje WIB 92, dat voor van derden verworven eigendom, mede-eigendom
of vruchtgebruik en/of licentierechten op octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten vereist dat de vennootschap de beschermde producten
of procédés geheel of gedeeltelijk moet hebben verbeterd. Door de
vermindering van de basis van de aftrek voor octrooi-inkomsten met de aan
derden verschuldigde vergoedingen en de afschrijvingen op van derden
verworven eigendom, mede-eigendom of vruchtgebruik en/of licentierechten op
octrooien / aanvullende beschermingscertificaten, wordt de basis van de
aftrek voor octrooi-inkomsten beperkt tot de “toegevoegde waarde” van de
door de vennootschap aangebrachte verbetering.
Welke bestanddelen moeten van de ontvangen octrooi-inkomsten worden
afgetrokken?
Bij de bepaling van de vermindering, maakt artikel 205/3, §1, WIB 92, een
onderscheid tussen de bestanddelen die wél en de bestanddelen die niet
worden afgeschreven. De vermindering betreft aldus de volgende twee
categorieën:
-
de door de vennootschap verschuldigde vergoedingen, van welke aard ook,
voor van derden verworven eigendom, mede-eigendom of vruchtgebruik en
licentierechten met betrekking tot octrooien (en aanvullende
beschermingscertificaten);
-
de afschrijvingen op de aanschaffings- of beleggingswaarde van de van
derden verworven eigendom, mede-eigendom of vruchtgebruik en licentierechten
met betrekking tot octrooien (en aanvullende beschermingscertificaten).
Indien de door de vennootschap verschuldigde vergoedingen en de
afschrijvingen niet uitsluitend betrekking hebben op octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten, maar ook op andere intellectuele eigendomsrechten
(bv. merken), geldt de vermindering alleen ten aanzien van het gedeelte dat
betrekking heeft op octrooien, tenzij voor wat betreft de vergoedingen
verschuldigd voor knowhow inherent aan of onlosmakelijk verbonden met het
octrooi / het aanvullend beschermingscertificaat, aangezien deze vergoeding
wel in mindering dient te worden gebracht. De belastingplichtige moet in
voorkomend geval een uitsplitsing maken.
Moet de vermindering globaal of voor elk octrooi afzonderlijk worden
toegepast?
De vermindering moet voor elk octrooi afzonderlijk worden toegepast.
Indien een vennootschap tijdens het belastbaar tijdperk octrooi-inkomsten
ontvangt met betrekking tot van derden verworven eigendoms- of
licentierechten op een bepaald octrooi / aanvullend beschermingscertificaat,
moeten de voor dat tijdperk aan derden verschuldigde vergoedingen en de
afschrijvingen met betrekking tot dat octrooi / aanvullend
beschermingscertificaat in mindering komen van de octrooi-inkomsten uit dat
octrooi / aanvullend beschermingscertificaat.
Indien de aan derden verschuldigde vergoedingen en de afschrijvingen de
ontvangen octrooi-inkomsten uit een bepaald octrooi / aanvullend
beschermingscertificaat overschrijden, mag het excedent niet worden
afgetrokken van octrooi-inkomsten uit eventuele andere octrooien /
aanvullende beschermingscertificaten.
Indien geen octrooi-inkomsten worden ontvangen met betrekking tot een
bepaald octrooi / aanvullend beschermingscertificaat, is er geen reden om
voor dat octrooi / aanvullend beschermingscertificaat een vermindering toe
te passen.
Moeten de kosten van onderzoek en ontwikkeling ook in mindering worden
gebracht?
Neen. De vermindering bepaald in artikel 205/3, WIB 92, heeft geen
betrekking op de door de vennootschap gemaakte kosten van onderzoek en
ontwikkeling of kosten verbonden aan het in stand houden van octrooien /
aanvullende beschermingscertificaten. De basis van de aftrek voor octrooi-inkomsten
moet dus niet worden verminderd met de al dan niet geactiveerde kosten van
onderzoek en ontwikkeling.
Artikel 205/3, §1, derde lid, WIB 92, preciseert dat de vermindering evenmin
van toepassing is indien de vennootschap een deel betaalt van de kosten van
(verder) onderzoek en ontwikkeling uitgevoerd door derden (bijvoorbeeld door
de licentiegever of de overdrager van het octrooi / aanvullend
beschermingscertificaat).
Wat indien de vennootschap ten onrechte geen kosten of afschrijvingen
boekt met betrekking tot van derden verworven octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten?
Alle kosten en afschrijvingen die normaal ten laste komen van het in België
belastbare resultaat, moeten voor de berekening van de aftrek voor octrooi-inkomsten
in mindering worden gebracht, ongeacht of deze kosten en afschrijvingen
effectief zijn geboekt.
Moet de vermindering ook worden toegepast indien de aan derden
verschuldigde vergoedingen of afschrijvingen niet ten laste komen van het in
België belastbare resultaat?
Neen, artikel 205/3, §1, WIB 92, preciseert dat de vermindering alleen
betrekking heeft op vergoedingen en afschrijvingen die in België ten laste
worden gelegd van het belastbare resultaat.
Voor Belgische vennootschappen, is er geen reden om de basis voor de aftrek
voor octrooi-inkomsten te verminderen met de aan derden verschuldigde
vergoedingen en de afschrijvingen die ten laste komen van een vaste
inrichting in het buitenland.
Voor buitenlandse vennootschappen, is er geen reden om de basis voor de
aftrek voor octrooi-inkomsten te verminderen met de aan derden verschuldigde
vergoedingen en afschrijvingen die ten laste komen van het hoofdhuis in het
buitenland of van andere buitenlandse inrichtingen van de vennootschap.
Gelden er bijzondere regels voor verbonden ondernemingen?
Ja. Om te beletten dat verbonden vennootschappen zouden trachten om de
aftrek voor octrooi-inkomsten te maximaliseren door te lage vergoedingen of
aanschaffingswaarde aan te rekenen op licenties aan Belgische
groepsvennootschappen, bepalen artikel 205/3, §2 en 3 WIB 92, dat in een
dergelijk geval de vermindering moet worden vastgesteld met toepassing van
de hogere markconforme vergoedingen of de verhoogde “arm’s length”
aanschaffingsprijs.
Heeft de toepassing van de vermindering ten aanzien van bepaalde
vergoedingen en afschrijvingen gevolgen voor de aftrekbaarheid ervan als
beroepskosten?
Neen, de vermindering van de basis van de aftrek voor octrooi-inkomsten
staat los van de aftrekbaarheid van de vergoedingen en afschrijvingen als
beroepskosten.
Wanneer treedt de aftrek voor octrooi-inkomsten in werking?
De aftrek voor octrooi-inkomsten is van toepassing vanaf aanslagjaar 2008 op
de octrooi-inkomsten die betrekking hebben op octrooien / aanvullende
beschermingscertificaten die niet door de vennootschap, een licentienemer of
verbonden ondernemingen zijn gebruikt voor verkopen van goederen of diensten
aan onafhankelijke derden vóór 1 januari 2007. Wanneer een uitvinding in
meerdere landen door een octrooi of een aanvullend beschermingscertificaat
werd beschermd, moet voor elk octrooi / aanvullend beschermingscertificaat
apart worden nagegaan of het reeds is gebruikt voor verkopen van goederen of
diensten aan derden.
Het louter toestaan van een licentie op een octrooi / aanvullend
beschermingscertificaat vóór 1 januari 2007 houdt niet noodzakelijk in dat
verkopen van producten of diensten aan onafhankelijke derden hebben
plaatsgevonden vóór die datum. De aftrek voor octrooi-inkomsten kan dus
worden toegepast indien de vennootschap vóór 1 januari 2007 een licentie op
een octrooi / aanvullend beschermingscertificaat heeft toegestaan zonder dat
het octrooi / aanvullend beschermingscertificaat door de vennootschap, de
licentienemer of verbonden ondernemingen is gebruikt voor verkopen van
producten of diensten aan onafhankelijke derden vóór die datum.
Indien bijvoorbeeld een Belgische vennootschap A in 2005 een octrooi heeft
verworven en dit octrooi in 2006 in licentie geeft aan de Belgische
vennootschap B die het octrooi verbetert tot een verkoopbaar product en dit
product voor het eerst commercialiseert in 2009, dan kunnen vennootschap A
en B als volgt genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten:
-
Vennootschap A kan genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten voor de
inkomsten verkregen vanaf aanslagjaar 2008 onder de licentieovereenkomst
afgesloten met vennootschap B;
-
Vennootschap B kan genieten van de aftrek voor octrooi-inkomsten op de
kwalificerende inkomsten uit de commercialisatie van het octrooi in 2009.
Het feit dat vennootschap A in 2006 reeds een licentie heeft toegekend op
het octrooi kan namelijk niet worden beschouwd als het gebruiken van het
octrooi voor het verkopen van goederen of diensten aan onafhankelijke derden
vóór 1 januari 2007.
|